Onder een paraplu
Zaterdag 16 September 2017
De reis naar Amsterdam viel niet mee, deze keer. De trein had vertraging, we moesten bij het overstappen lang wachten op een ijskoud perron, om tenslotte in een bomvolle trein het Centraal Station te bereiken.
We sjokten, per ongeluk met een grote omweg, in de stromende regen naar ons hotel. Nee, het was geen leuke start van ons weekendje Amsterdam. En het bleef maar regenen, hagelen en stormen. Toen we ’s avonds een slaapmutsje dronken in de bar van ons hotel, moest de barman uitgebreid van mij horen hoeveel pech wij wel niet hadden gehad. Heel onze dag kwam in al zijn treurigheid voorbij, en het klonk erg dramatisch… Maar de man achter de bar maakte korte metten met mijn geklaag. Hij zei beleefd dat het natuurlijk vervelend was, die vertragingen van de NS, maar dat er in elk geval treinen réden. Er waren genoeg landen met streken waar geen trein reed, of hooguit een keer per dag. En aan het weer kan niemand iets veranderen, dus dat geklaag hielp niets, wees hij me fijntjes terecht. Nederlanders zijn klagers, zei hij, en verzuchtte dat hij zelf daar ook soms stevig aan mee deed. Pas als hij door familie en vrienden uit zijn geboorteland Tunesië op de vingers werd getikt, werd hij zich weer van die Hollandse gewoonte bewust. Want zeg nou zelf, zei hij: in Nederland is het goed leven. Er is echt niet veel reden tot klagen. Hij kwam met een voorbeeld: familie van hem woont in Frankrijk. Tijdens een storm viel laatst bij hen de stroom uit. Hele dorpen zaten zonder elektriciteit. Gebeurt zoiets in Nederland dan staan binnen vijf minuten de telefoons bij de energiebedrijven roodgloeiend, en is het euvel meestal snel verholpen. Zijn familie heeft echter twee weken zonder stroom gezeten. Zo vlug als hier gaat repareren in die streek van Frankrijk nu eenmaal niet, zei hij schouderophalend. Dat kun je je in Nederland niet voorstellen, nee. Net zomin als zes trappen moeten beklimmen met een krat mineraalwater. Want het water in de kraan daar is ondrinkbaar. Woon je dus op een flat zonder lift, dan heb je pech. Een mens heeft nu eenmaal drinkwater nodig. En in Nederland kan het drinkwater zo uit de kraan worden gehaald, zei hij, met verwondering en bewondering in zijn stem. Nee, dat klagen van die Nederlanders moest maar eens afgelopen zijn. Vertraagde en overvolle treinen? Lastig, maar ze rijden tenminste. Een ander klaagonderwerp, de prijzen die omhoog zijn gegaan. Als je ziet hoeveel geld er aan luxe spullen en dure vakanties wordt uitgegeven, dan moeten die prijsverhogingen voor de meeste mensen toch geen ramp zijn. En de klachten over slecht weer? Buiten is het nat en koud, maar binnen is het droog en warm. In vergelijking met veel andere landen is Nederland een paradijs, zei onze barman, en hij kon het weten. Het enige waar hij na tweeëntwintig jaar Nederland niet aan kon wennen was gladheid door sneeuw of ijzel, maar voor de rest was Nederland een puik land. Ik kon eigenlijk niets anders doen dan hem gelijk geven en beloofde mezelf prompt dat ik nooit meer zou klagen.
Maar hoe gauw is een mens geneigd tot vergeten. Het weekend ging voorbij, we waren weer thuis. De tijd verstreek, aan mijn 'nooit meer klagen' belofte dacht ik niet meer. En er viel weer genoeg te klagen. Vooral over ons klimaat. Ik werd weer aan mijn belofte herinnerd door een televisieprogramma waarin Nederlanders van buitenlandse komaf hun mening over de Nederlanders en ons land gaven. De deelnemers konden hartelijk lachen om de eeuwige polonaise op bruiloften, maar er mankeert wel het een en ander aan ons, leerde ik. De gastvrijheid bijvoorbeeld, daar schort het behoorlijk aan. En er kon best nog meer verbeterd worden aan land en inwoners. “Maar toch,” zeiden ze: “is Nederland een fijn land om in te leven.” Niet alleen om de sociale zorg en omdat niemand honger hoeft te lijden, maar ook om de vrijheid en democratie. “Je kunt je mening hardop zeggen,” zei een meneer van Chinese afkomst. Voor ons zo gewoon, dat je er niet eens bij stil staat dat er zoveel mensen in ons land wonen voor wie vrije meningsuiting een wonder is. Een mevrouw uit een ver, maar warm land zei: “Nederland zou onder een hele grote paraplu moeten liggen… Want op het weer na is Nederland als het beloofde land.” Een paradijs, had de meneer van het hotel gezegd. Het beloofde land, zei de mevrouw op de televisie.
Wanneer zouden wij nu zélf eens beseffen dat het echt geen slecht leven is in ons kikkerlandje?